Tangram (1)

Het leek zo onschuldig. Een spelletje voor kinderen. Een troostcadeau waarvan het blauwe motiefpapier waarin het zat ingepakt nog het meeste aandacht leek te hebben gekregen. Zijdeachtig glanzend, bezaaid met sierlijke kraanvogels – bedrieglijk.

‘Dank je. Heel attent.’ Rifka keek naar het pakketje in haar handen en begon het papier glad te strijken.
Sarie glimlachte afwezig naar haar en nam een slok van haar thee. Haar mond vertrok bijna onmerkbaar.
‘Is er iets?’ vroeg Rifka.
‘Hè?’
‘Je thee?’
‘O, niks. Er is niks mis mee. Maar als je eenmaal goede groene thee hebt gehad, valt het hier gewoon tegen. De smaken in Japan leken gewoon échter, puur. Ze importeren ook heel weinig, wist je dat? Dus wat je krijgt is ook lokaal.’
Ja, dat wist ze. Rifka las al jaren ieder boek over Japan stuk, vroeger ging ze ervoor naar de boekhandel, tegenwoordig de bibliotheek. In betere tijden bezocht ze ieder nieuw Japans restaurant en legde ze iedere maand een aardig bedrag opzij voor wat de Grote Reis moest worden. Van dat geld was inmiddels niets meer over. Dat wist Sarie – maar het weerhield haar er niet van achteloos over haar ‘reisje’ te vertellen en te pronken met haar nieuwe blouse van ongetwijfeld dure zijde. Met Rifka kon ze dat niet meer, pronken. Een medelijdencadeau was het.
‘Die tangramset is gemaakt van Japans cederhout. En de kleuren waarin de stukken geverfd zijn hebben een bepaalde betekenis. Ik weet niet meer precies wat, de man bij wie ik het kocht sprak gebrekkig Engels. Hij was nogal nukkig, maar toen ik die tangramset oppakte, veranderde zijn hele houding. Hij begon honderduit te praten en te vertellen over hoe bijzonder het hout was.’
‘Waar heb je het precies gekocht?’ vroeg Rifka.
‘Ergens ten noorden van Mount Fuji, in een gehucht waar we langs kwamen op een wandeltocht. Ik weet het niet meer precies. Ik kan het wel voor je opzoeken als je wil?’
Nog voor Rifka kon vragen wat ze zich wel herinnerde over de tangramset, was Sarie opgestaan. Ze omhelsde Rifka en zei dat ze nog een afspraak had. Zij en haar dure groene blouse verlieten de koffiezaak. Haar thee had ze niet opgedronken.

Thuis bekeek Rifka de houten puzzel aandachtiger. De blokjes waren licht en leken niet bepaald van hoge kwaliteit. De verf erop was vlekkerig aangebracht, de kleuren waren verwassen. Onder het raamwerk waar de houten stukken in lagen, zat een boekje. Vluchtig bladerde Rifka er doorheen. Een paar silhouetten – vormen die je kon maken als je de blokken op de juiste manier neerlegde – en verder vooral veel Japanse tekst. Op de achterkant van het boekje zag ze een naam en plaatsnaam staan, de enige tekst die ook in Latijns schrift stond.
Matsu Yamamoto, Narusawa.
Dankjewel voor je slordige verfwerk, Matsu.
Rifka stopte het boekje weer onder het raamwerk en gooide de houten blokken er lukraak in. Het blauwe kraanvogelpapier borg ze op bij de andere Japan-gerelateerde prentjes die ze in de loop van de jaren bij elkaar gescharreld had. Ze keek even naar de verzameling en deed de lade toen langzaam dicht.

De regen sloeg tegen de ramen. Rifka staarde naar het plafond. De slapeloosheid die haar als kind bij vlagen had geteisterd, leek terug. Op de muur van haar slaapkamer waren geometrische schaduwen te zien, schematische weergaven van een leven.
Toen ze stond te wachten tot het water kookte, viel haar oog op het tangramdoosje. Zo bij elkaar gegooid leken de blokken net een in elkaar gestort stadje. Door een aardbeving uit het lood geslagen. Zo had Matsu het vast niet bedoeld. Ze pakte het raamwerk en begon met de blokken te schuiven. Tijd om de orde te herstellen.
Het werd een terugkerend tafereel. In het holst van de nacht opstaan, theezakje in het glas doen, gekookt water negeren. Plaatsnemen aan de keukentafel en schuiven met de houten blokjes. Net zolang tot het figuur dat op het plaatje stond werd gespiegeld in het tangram. In het begin kostte een puzzel haar hooguit tien minuten. Dan stopte ze de blokjes weer terug in het raam en kroop ze weer in bed. Zo ging het eerst. Nu kon ze soms een uur zitten staren voordat de oplossing onder haar vingers schoof. Werden de figuren moeilijker? Of lag het aan haar vermoeidheid?
Rifka werd steeds vroeger wakker. Ze sliep even, maar schrok dan wakker. Ze probeerde niet eens meer in slaap te komen. Als vanzelf sloeg ze het dekbed terug, kwam overeind en daalde de trap af. Ze liep in één lijn naar de keuken, zette werktuigelijk de waterkoker aan en boog zich dan over de tangrampuzzel. Ze zat steeds langer in die kromgebogen houding, zichzelf en haar denkvermogen steeds meer bevragend. Waarom kostte haar dit zoveel moeite? Ooit was ze slim, de beste van haar klas, cum laude afgestudeerd. Ooit zou ze een grote reis naar Japan maken. Ooit. En dan, midden in haar zelfbeklag, was daar opeens de oplossing. Het tijdstip waarop ze weer tussen de lakens schoof, veranderde amper. Net wanneer er nog één uur slaap overbleef voor ze eruit moest. Eén tergend kort uur waarin ze niet uitrustte, maar in een onrustige halfslaap terechtkwam. Ze zag afwisselend de geometrische schaduwen van haar slaapkamer en beelden die niet van haar waren. Geen herinneringen of flarden werkelijkheid, maar landschappen die ze niet kende. Bomen, eindeloos veel bomen. Een woud als een labyrint. Op de bodem plakkaten felgroen mos. Ze probeert naar boven te kijken, naar de lucht, en daar eindigt het. Dan is ze weer in haar slaapkamer, haar hoofd één brok migraine.

Verdoofd loopt Rifka door de straten. De slaaptabletten die de huisarts haar heeft voorgeschreven lijken ’s nachts weinig effect te hebben, maar overdag des te meer. Ze heeft zich ziekgemeld op haar werk. Of eigenlijk: haar werkgever heeft haar naar huis gestuurd. In deze staat kan ze geen adequate zorg verlenen aan de cliënten in het verzorgingstehuis. Eerst voor jezelf zorgen, dan voor de ander – zo had hij het gezegd, maar eronder lag een scherpe toon. Dit kon niet te lang duren.
Rifka dwong zichzelf naar buiten te gaan, de buitenwereld in zich op te nemen. Frisse lucht in te ademen om de denderende koppijn te verzachten. Haar voeten bewegen, maar met haar hoofd is ze nog bij het tangram van die nacht. De paraplu. Of eigenlijk: een mannetje dat een paraplu tegen de wind houdt of net aan het uitklappen is, terwijl hij zelf licht achteroverbuigt. Een relatief makkelijk tangram, want het bestond uit een paar losse onderdelen waarvan je de vormen snel herkende, en toch had ze meer dan een uur op de blokken zitten puzzelen. Het was een beroerde nacht en ze raakte steeds gefrustreerder. Bijna was ze haar zelfbeheersing verloren, maar de wil om de paraplu op te lossen was groter.
Opeens hield ze halt. Het was geen bewuste actie, Rifka’s voeten weigerden van het ene op het andere moment dienst. De vrouw die achter haar liep botste tegen haar op en verdween in een wolk van bozig gemompel. Rifka stond nog altijd aan de stoep genageld, niet in staat ook maar een verontschuldiging te uiten. Haar blik werd naar een lege straathoek getrokken. Een paar eindeloze seconden lang gebeurde er niets, toen ging alles razendsnel: een gefrustreerd uitziende zakenman was in gevecht met zijn paraplu, die hij verwoed probeerde uit te klappen. Het was droog, wat bezielde hem? Met de paraplu half voor zijn gezicht stak hij het zebrapad over – vloog, tuimelde toen, heel langzaam, en kwam met een doffe klap neer op het asfalt.

‘Je wilt hóeveel lenen?
‘Je hebt me wel gehoord, Sarie. Het kost me al moeite genoeg om bij je te bedelen. Kun je het me lenen of niet?’
‘Ik weet dat je al heel lang naar Japan wilt, Rifka. Maar waarom heb je ineens zo’n haast?’ Er klonk mildheid in Sarie’s stem die Rifka niet meer van haar kende. Niet sinds Sarie de promotie had gekregen die zíj had moeten krijgen.‘Soms heb ik zo het gevoel dat ik niet vooruitkom. Dat ik mijn beste tijd al heb gehad. Ik heb dit nódig.’ Ze ademde diep in en zei: ‘Ik zal je tot de laatste cent terugbetalen.’
‘Dat weet –’
‘En nu ik je toch spreek: wat herinner je je nog van dat winkeltje waar je die tangramset hebt gekocht? Wat zei die man er precies over?’
‘O ja, ik zou je nog laten weten waar dat was, hè? Het was ten noorden van Mount Fuji. Echt zo’n typisch Japans dorp. Traditionele huisjes, en midden in de natuur. Maar ik kan me de naam niet herinneren.’
‘Narusawa.’ Rifka zei het killer dan ze bedoelde.
‘Ja! Dat was het! Hoe weet je dat?’
‘Stond in het boekje dat bij die tangramset zat. Maar die winkelier, je zei dat hij zo enthousiast was. Wat zei hij precies?’
‘Ik zei toch al dat hij beroerd Engels sprak? Maar laat me nadenken… Hij had het over dat hout, Japanse ceder geloof ik. En hij zei dat die kleuren symbool stonden voor de seizoenen, dat was het! Vier kleuren voor de vier seizoenen en één blokje voor de dood. Zoiets. Maar ik hoef jou niet te vertellen dat in Japan alles symboliek is.’
‘Hmm.’
‘Verder was het geen diepgaand gesprek,’ zei Sarie. ‘Hij wilde graag dat ik dat setje kocht. Hij herhaalde steeds “you buy”, “you buy”, of iets in die geest.’
‘Waarom zei je dat niet eerder?’
‘Waarom wel? Wat doet het ertoe? Het was maar een souvenir, meer niet.’
‘Ja, gewoon een souvenir.’

Wat nou als die man niet you buy had gezegd, maar yurei?

(wordt vervolgd)

Topic:

Plaats een reactie