Slagerszoon

‘ERNSTE – serieus over vlees’ staat er in vale letters op de ruit. Daaronder, in kleinere letters: ‘anno 1955’. De ramen zijn aan de binnenkant afgeplakt met kranten. Allard bukt om door een kier naar binnen te gluren. Uit de kozijnen dringt de geur van rottend hout. Binnen is het donker, het duurt even voordat Allard iets kan zien. Een grove toonbank met marmeren blad en een ouderwetse kassa. Op de vloer donkerbruine tegels. In zijn ooghoek ziet hij nog net een uitgewaaierde stapel enveloppen liggen. In de kleine streep zonlicht die door een andere krantenkier dringt danst stof.

Mooi, denkt hij, de tijd van slagers is voorbij. En zo te zien is de tijd van deze slager al even voorbij. Wanneer zou er voor het laatst vlees over die toonbank zijn gegaan? Allard komt overeind en moet onwillekeurig denken aan het smakeloze rulle gehakt dat zijn moeder altijd klaarmaakte als ze weer eens op dieet was. Bestrooid met nepkaas uit een busje. Het had weinig geholpen – toen zijn moeder dat inzag was ze uit pure frustratie weer overgestapt op volvette kaas en rookworst.

Rookworsten in de vitrine behoren voor Ernste tot het verleden. Maar wat zou er wel in de etalage komen? Allard voelt de zon branden op zijn schouders en sjokt lusteloos verder. Als het maar niet weer zo’n ellendige matchatent wordt.

*

Johan staat over de kassalade gebogen en telt het geld. Op een kruk naast hem zit Bart. Zijn handen zijn schraal van het schrobben, op schoot ligt een langwerpig kasboek. Hij heeft zijn witte schort open geknoopt en wacht tot zijn vader een getal opnoemt. Voor hem op de marmeren toonbank liggen een blauwe en een rode pen: blauw voor een positief resultaat, rood voor een negatief. Uit de slachtruimte, die via een betegelde gang verbonden is met de slagerij, horen ze een zacht gehum komen. Dan het geluid van stromend water. Chloorlucht.

‘Pa,’ begint Bart.
‘Niet nu, ik ben aan het tellen.’
Het gerinkel van muntjes. Gehum in de achtergrond. Dan het bedrag. Vandaag de blauwe pen.
‘Wat wilde je zeggen, jongen?’
‘Er waren er vandaag weer drie.’
Johan zucht en draait zich naar zijn oudste zoon.
‘De mensen moeten wat te zeuren hebben. Vorig jaar waren de slavinken opeens niet meer te pruimen. Dat is de ellende van zo’n dorp, als er eenmaal iemand is die zich wat in de kop haalt…’
‘Maar maak je je dan niet druk? Deze week zijn er weer meer rode dan blauwe getallen.’
‘Bart, zo gaat het soms. Een bedrijf hebben is niet altijd gemakkelijk, daar kom je nog wel eens achter.’ Johan legde zijn kolenschop van een hand op Barts schouder. Hij zag er oud uit voor zijn 45 jaar. ‘En vlak die nieuwe snijmachine niet uit die we volgende maand krijgen. Het nieuwste van het nieuwste! 1964 wordt een goed jaar voor Ernste, let maar op.’
Uit de slachtruimte klinkt nu het geluid iets dat valt, gevolgd door een gefrustreerde binnensmondse kreet.
‘We komen je zo helpen, Kobus!’ roept Johan.
‘Pa, dat was niet alles,’ Bart kijkt zijn vader strak aan. Zijn voorhoofd is gefronst, zijn wangen hebben een hoogrode kleur. ‘Ze zeiden het weer. Dat hij een gekkie is.’
‘Maar wij weten wel beter, toch?’ Johans grip om de kassalade wordt strakker. Zijn knokkels worden wit. Bijna net zo wit als hun slagersschorten. ‘Tóch, Bart?’
‘Ja, pa. Kobus kan er ook niets aan doen.’

 Bruusk draait Johan zich om, in zijn handen rinkelt de kassalade. Hij loopt door de witte tegeltjesgang, achter hem volgt Bart met het groene kasboek tegen zijn borst geklemd. Vlak voor hij het kantoor in loopt om het kasboek op te bergen in de kluis, kruist zijn blik die van Kobus. Die staat hummend het werkblad te poetsen en glimlacht. De chloorlucht is hier in de gang sterker dan voor in de winkel. De vloer blinkt.
‘Goed gewerkt, broer?’ vraagt Kobus.
Bart knikt en wendt dan zijn hoofd af. Hij geeft het groene boek aan zijn vader. Het was goed dat Kobus ook onderdeel was van het familiebedrijf. Hij voelde zich thuis in de slagerij, kende alle rituelen en geboden. Hun vader had er nooit aan getwijfeld of Kobus wel geschikt was. Ieder schepsel Gods is van waarde. In de slagerij was hij nuttiger dan weggestopt in een instelling.
‘Goed gewerkt. Jij ook, Kobus?’ Hij denkt: je bent mijn broer, maar je bent niet mijn broer.

*

Bart kijkt naar de ader op zijn vaders voorhoofd. Zijn vuurrode stierennek contrasteert scherp met het witte slagersschort. En dan gebeurt het ondenkbare. Johan grijpt met zijn gehandschoende hand vol in de schaal rundergehakt, kijkt er een fractie van een seconde naar en neemt dan een hap. Er vliegen stukjes vlees en speeksel over de toonbank als hij zegt:
‘Zief u wel, niks mif mee, mefwouwje! Kfaliteisflees!’
De vrouw aan de andere kant van de toonbank heeft haar ene hand strak om de kraag van haar jas geklemd, met de andere houdt ze de capuchon van haar dochtertje vast. Beiden kijken ze verbouwereerd naar slager Ernste. Die staart de klanten in zijn zaak maniakaal aan en grijpt dan nogmaals in de bak gemalen vlees. Nog voor Bart zijn vader kan tegenhouden heeft die een klont gehakt de slagerij in geslingerd. Eén van de klanten haalt een rood flintertje van zijn brilmontuur en draait zich dan resoluut om. De rest volgt. Een lange slinger mensen verdwijnt door de voordeur.
In de slagerszaak staat nog één gedaante. Hij draagt een wollen jas met visgraatmotief en een donkerbruine hoed. Hij neemt zijn hoed af en zegt hoofdschuddend: ‘Misschien is Kobus wel niet de grootste gek van dit gezin.’
Het belletje rinkelt zacht en dan valt de deur met een klap dicht.

‘Pa, ben je wel helemaal lekker?’ Bart pakt zijn vader, die hysterisch staat te lachen, bij zijn schouders en schudt hem door elkaar. ‘Nu komt er helemaal niemand meer!’
‘Zag je hun gezichten?’ De tranen rollen over de wangen van de slager. ‘Opeens had ik het gehad met die rotkoppen van ze – dat eindeloos gezanik. Ons vlees is goed! En je kunt hier van de vloer eten.’ Een korte stilte en dan: ‘Letterlijk!’
Uit het gangetje naar de slachtruimte horen ze een tweede lach, een echo van Johan. Kobus staat met zijn handen op zijn knieën voorovergebogen te grinniken. Als hij opkijkt ziet Bart zijn ogen glimmen van de pret. Snapt hij dan niet hoe rampzalig dit is? Wat dit betekent voor de slagerij?
‘Wat staan jullie daar nou te lachen?’ roept Bart wanhopig. ‘Met dat geroddel in het dorp kunnen we de tent net zo goed sluiten na vandaag!’
‘Papa gooide vlees!’ proest Kobus.
‘En het was raak, jongen! Zag je dat?’ zegt Johan en hij draait zich om naar zijn jongste zoon. 

Kobus staat in het gangetje toe te kijken. Grinnikend omdat zijn vader vlees heeft gegooid naar een klant. Wanneer zijn vader zich omdraait glijdt de glimlach van Kobus’ gezicht.
‘Heb je, heb je…?’ stamelt hij. Hij brengt zijn vingers naar zijn mond.
‘Zeg, begin jij nou ook al? Met ons vlees is niets mis. Van een beetje rauw rundergehakt krijg je niks hoor!’ gromt Johan. Hij trekt zijn handschoenen langzaam uit en loopt dan de witte tegelgang in. Hij loopt de slachtruimte in, draait de kraan open en wast zijn handen en gezicht. Dan hangt hij zijn slagersschort aan een lege vleeshaak. Zijn idee van humor. Hij loopt fluitend het kantoor in en doet de deur dicht.
Bart staart zijn broer aan, die zenuwachtig aan zijn schort staat te frunniken. Hij humt en wipt heen en weer op zijn voeten.
‘Dat had je niet moeten doen, Kobus.’

*

Na Johans dood had Bart welgeteld twee dagen het werk neergelegd. De dag van de begrafenis meegeteld. Hij was niet van plan het levenswerk van zijn vader, en daarmee zijn erfenis, zomaar weg te gooien. Hij moest een plan verzinnen om de gunst van de klanten terug te winnen.
Het begon met een brief aan het hele dorp. Bart verontschuldigde zich daarin voor het gedrag van zijn vader en maakte duidelijk dat Slagerij Ernste een andere weg in zou slaan. Welke, dat zou hij onthullen op de dag van de ingetogen heropening, volgende week. Voor de zekerheid had hij diezelfde week nog kortingsbonnen in alle brievenbussen gestopt. Als hun nieuwsgierigheid ze niet zou bewegen, dan toch zeker hun gierigheid.
De mensen kwamen wel, maar in de slagerij – of in de traiteur die Bart van plan was te worden – hadden ze weinig interesse. De kleine verandering die hij had gerealiseerd in de winkel zagen ze niet. En dat terwijl het, zo vond Bart, toch heel in het oog springend was. Hij had één vitrine haaks op de andere gezet, zodat er één grote L-vormige vitrine was ontstaan. In de ene zou hij het vlees uitstallen, in de andere zijn vers bereide maaltijden. Op de plek waar eerst een vitrine had gestaan, had hij een langwerpig kookeiland neergezet met daarop een zwaar marmeren blad, zodat het niet van zijn plaats kon komen. Daar zou hij, voor het oog van zijn klanten, de maaltijden bereiden.
De gieren waren gekomen voor antwoorden.

Wat zijn vader wel niet dacht.
Of hij vaker zulke woedeaanvallen had gehad.
Of hij zich weleens had laten onderzoeken, nadat Kobus was geboren – dat kon weleens erfelijk zijn.
Wat er eigenlijk met Kobus was gebeurd.

Die vraag had Bart verwacht.
‘Hij heeft zich het overlijden van onze vader erg aangetrokken. Het leek me beter als hij een tijdje in een andere omgeving zou zijn, een die hem niet herinnert aan wat hij… aan wat er gebeurd is. Hij is ergens waar ze hem begrijpen, snapt u wel?’
Dat leek de samengedromde dorpelingen te bevallen. Langzaam verstomde hun gepikeerde gemompel. De eerste kortingsbon werd uit een portefeuille gehaald. Ze zouden het voorval met de gestoorde slager niet allicht vergeten, maar wellicht konden ze zijn zoon vergeven. Hij had immers daadkracht getoond door zijn gekke broer weg te sturen. En niet iedere dag zelf boven de pannen staan, dat klonk de vrouwen van het dorp als muziek in de oren.
Slagerij Ernste had de zon nog niet voor het laatst zien opkomen.

*

Het is nog vroeg als de werklieden van het sloopbedrijf voet over de drempel van Slagerij Ernste – anno 1955 – zetten. Casco slopen. Bij een pandje van deze omvang kan het in een dag gedaan zijn.
Victor rukt een paar kranten van het raam en kijkt de drie andere mannen aan.
‘We beginnen met de winkelmeubels, mannen. Wees niet al te lomp, want de nieuwe eigenaar heeft te kennen gegeven dat ’ie die spuuglelijke bruine tegels wil houden. Retro ofzo, zou goed passen bij z’n koffietent.’
De mannen grinniken en slurpen van hun koffie. Twee van hen lopen op hun gemak naar de slachtruimte om de situatie op te nemen. Victor blijft met één collega achter in het winkelgedeelte.
‘Kom op, eerst dat loodzware marmeren blad. Voorzichtig, misschien kan die knakker dat ook nog gebruiken,’ grijnst Victor.

Dat ze ook nog een karkas uit de slagerij moesten verwijderen, hadden ze niet verwacht.

Slagerij Ernste was de triomf geworden van één zoon en de ondergang van de andere. Het was allemaal zo goed bedoeld: de klanten zouden ophouden met hun gezeur als ze Kobus’ speciale vlees hadden geproefd. Maar zoals Bart al zei: dat had je nou niet moeten doen, Kobus.

(met dank aan Manik Sarkar, die me met zijn roman Ossenkop herinnerde aan een verhaal over een Arnhemse slager dat al zo lang in mijn hoofd zat)


Plaats een reactie

Previous:
Next Post: