Het donkergroene patroontapijt dempt mijn passen. Ik laat mijn weekendtas met een klap neerkomen in een van de twee Chesterfields en duw net iets te hard op het belletje op de balie. You can check out any time you like, but you can never leave – o, de ironie ontgaat me niet. Ik was al een heel eind op weg naar huis, toen de radio-dj dat nummer instartte. En ik wist: ik mag niet thuiskomen, ik mag Vera niet onder ogen komen vóór het af is.
Ongeduldig – waarom eigenlijk, het is niet alsof ik zin heb om verder te gaan aan mijn strafexercitie – trommel ik op de incheckbalie. De lobby is uitgestorven. Hoewel Boschlust meer dan vijftig kamers had, was de parkeerplaats leeg. Het is alsof het tapijt en de donkere houten lambriseringen ieder geluid absorberen, zelfs het getrommel bereikt mijn oren niet. Ik voel een lichte schok als mijn blik zich in die van een oudere man achter de balie haakt. Waar kwam die vandaan? Deze man had ik de hele maand nog niet gezien.
‘Meneer?’ zegt de grijsaard. Er gaat iets mistroostigs van de man uit. Zijn schouders verdwijnen haast achter de brede revers van zijn doffe fluwelen jasje. Het purper had de pretentie sjiek te zijn, maar door de hopeloos ouderwetse snit kreeg het geheel iets sjofels.
‘Dag, ik geloof niet dat wij elkaar eerder gezien hebben,’ zeg ik. ‘Ik was hier de hele afgelopen maand al. Vanochtend heb ik uitgecheckt, maar het werk is nog niet af. Dus hier ben ik weer.’
De man knikt sereen en staart me aan. Hij doet er het zwijgen toe.
‘Dus, meneer…’ Mijn ogen flitsen naar het koperkleurige naambordje dat in de paarse stof zit geprikt. ‘… Sions. Kunt u me weer inchecken? De gegevens staan vast nog allemaal in de computer, ik wil, moet verder met mijn project.’
Sions kijkt langs me heen. Ik volg zijn blik en draai me om naar het restaurant. Niemand. Als ik me omdraai, ligt er een glanzende koperen sleutel op de desk. Kamernummer 205, waaruit ik vanochtend was vertrokken. Ik ben zo verbaasd dat ik niet zie dat in de vakjeskast achter Sions verder geen enkele sleutel ontbreekt.
‘Fijne avond, meneer Meester.’
Ik had mijn naam niet genoemd. Had hij toch al eens eerder achter de balie gestaan afgelopen maand? Ik gris de sleutel van het hardhout, pak mijn tas uit de fauteuils achter me en draai me met een ruk om. Vera, mijn uitgever, mijn bankrekening – voor alle betrokkenen is het beter als dat boek af komt.
Pas wanneer ik in de hal mijn eigen voetstappen hoor, voel ik de mist in mijn hoofd optrekken.
De afgelopen weken waren lang en vruchteloos gebleken. Tot dan toe had Boschlust niet gedaan wat ik, en vooral mijn uitgever, had gehoopt. Het hotel ademde de rust waarop ik het had geselecteerd voor mijn schrijfretraite. Het was precies gammel genoeg om charmant te zijn en lag relatief ver van alle stadsdrukte. Het was in de jaren dertig gebouwd en lag pal tegenover een uitgestrekt bos en een kleine begraafplaats. De lobby leek sinds de oprichting amper gemoderniseerd. De gang van de begane grond was bekleed met marmer dat een fortuin moest hebben gekost. Halverwege die hal bevond zich de deur naar het trappenhuis. Helemaal aan het einde van de gang bevond zich een deur met daarin een patrijspoort die licht wierp in het verder vrij donkere deel van het hotel. In de hoek stond een piccolokar werkeloos toe te kijken.
Ik trek de zware deur naar de tweede verdieping open als ik de schrik van mijn leven krijg. Op het bankje tegenover het trappenhuis zit een vrouw. Ze zit doodstil, haar handen in haar schoot gevouwen, en ze kijkt zonder te knipperen naar de deur. Ik schat haar hooguit dertig, haar blonde haar is samengebonden in een knot en aan weerszijden van haar scheiding kunstig golvend vastgezet. Ze draagt een lichtgroene jurk van glanzende stof die te koud lijkt voor de tijd van het jaar. Haar gelaatskleur is bleek. Ze zegt niets, glimlacht heel lichtjes. Ik knik naar haar en rep me dan naar mijn hotelkamer aan de voorzijde van het hotel. De zware geur van haar parfum prikt nog in mijn neus.
Ik leg mijn tas op het bed en kijk door het raam. De parkeerplaats is slecht verlicht. Mijn auto heb ik recht onder een lantaarnpaal geparkeerd. Daarachter is vaag het hek van de begraafplaats te zien, nog verder op de achtergrond de contouren van het bos. Ik kijk op mijn horloge. Zeven uur. Nog een goede schrijfavond in het vooruitzicht, maar eerst – Vera bellen.
Zuchtend sukkel ik de treden weer af. Het idee was goed: laat je telefoon thuis, zodat je niet wordt afgeleid. Die roman moet af – dat had Willem me wel duidelijk gemaakt. Er zat een houdbaarheidsdatum op schrijversfaam, en ik wist niet zeker of mensen mij nog wel zouden consumeren als ze zouden proeven of ruiken. Met dat verlammende idee in mijn achterhoofd had ik besloten mijn werkkamer te verruilen voor Boschlust, zo lang als nodig was. Vandaag was ik bijna gezwicht voor Vera’s smeekbede om terug te komen.
Ik wil net de deur openen van de telefooncel die als een reliek uit een andere tijd in de hoek van de marmeren gang stond, als ik in het hotelrestaurant opeens een drom mensen zie. Waar kwamen die zo plotseling vandaan? En hoe waren ze hier gekomen, als de parkeerplaats uitgestorven was?
Aangetrokken door het onbekende en een menselijk contact na een maand lang eenzame arbeid keer ik de telefooncel de rug toe. Eén drankje dan voor ik aan mijn avondsessie begin.
Ik heb me net aan de bar genesteld met een dubbele whiskey als ik een vreemd prikkelend gevoel ervaar. Ik draai me om op de barkruk en zie honderd paar ogen die mij aanstaren. Ik knipper – honderd mensen die met elkaar in gesprek zijn en aan hun drankjes nippen. Ik schud met mijn hoofd en kijk vragend naar mijn glas whiskey.
‘Zeg, Jeeves,’ begin ik met een hoofdknikje naar de groep achter mij. ‘Wie zijn die lui eigenlijk? Is het een soort themafeestje?’
De man achter de bar draagt een gilet en heeft een wit schort voor. Als een clichébeeld van zijn beroepsgroep staat hij een glas op te poetsen met een doek. Hij kan niet veel ouder zijn dan ik, eind veertig, maar hij ziet eruit alsof wat frisse buitenlucht hem goed zou doen. Ik kan me niet herinneren dat hij hier eerder achter de bar stond, maar uit zelfbescherming heb ik het restaurant na het eten de afgelopen weken vermeden.
‘Dit is de jaarlijkse bijeenkomst van het Genootschap!’ piept Jeeves opgewonden. Boven zijn wallen glimoogjes. ‘De avond waarop we vrij zijn en niets te gek is. En wie bent u, meneer? Als ik zo vrij mag zijn…’
‘Het Genootschap? Van wat? En waarom is iedereen zo uitge–’
Nog voor ik mijn zin kan afmaken, voel ik een hand op mijn schouder.
(wordt vervolgd)


Plaats een reactie