(L)even op pauze (2)

Om de drukkende stilte van het klooster nog even te vermijden dwaalt Samuel door het druilerige bos erachter. De wind trekt regendruppels uit de sparrentakken en stort ze in onregelmatige buitjes over hem uit. Zou langdurige stilte je hardware veranderen? Je kunnen resetten? Is de lichte paniek die hij voelt tijdens deze retraite teken dat hij bang is om echt bij zichzelf te komen?
Wanneer de hemel open breekt en het in stromen naar beneden komt, schiet Samuel een nauwelijks zichtbaar zijpaadje links van hem in. Afsnijden om sneller droog te zitten. Zou de dame met de rode trui al binnen zijn? Het klooster komt snel dichterbij, Samuel rent nu bijna. Het water loopt uit zijn wenkbrauwen in zijn ogen, zijn zicht vertroebelt. Nog twee-, driehonderd meter. Dan: modder, zand, nattigheid. Een scherpe pijn in zijn scheenbeen. Hij duwt zich omhoog en kijkt om, ziet dan waarover hij gestruikeld is. Een stenen kruis dat er zo te zien al even staat. Massief, met mos bedekt. Geen naam, geen geboorte- en sterfdata. Als hij beter kijkt ziet hij meerdere kruisen, sommige verweerder dan andere, maar allemaal even blokkerig. Ooit gonsde het Emmausklooster van bedrijvigheid, of vulde het zich in ieder geval met de stilte van tientallen mannen. Die lagen natuurlijk ergens met z’n allen te zwijgen.
Samuel maakt een soort onhandige buiging naar de kruisen, draait zich dan om.

Even had hij overwogen de pij aan te trekken en zich geruisloos bij de nachtelijke processie te voegen. Maar het verschil tussen elf en twaalf monniken zou niet lang onopgemerkt blijven. Na het nachtgebed had hij zich biddend gehouden, net zolang tot hij de kapel voor zichzelf had. Toen hij zeker wist dat er niemand meer was, had hij de kansel beklommen. Hij had uitgekeken over de gebedsruimte en beeldde zich in hoe hij een vurige preek zou afsteken over het kerkvolk onder zich. De leegte galmde hem tegemoet.
Samuel had verwacht dat hij tegen de slaap zou moeten vechten, maar sneller dan verwacht hoort hij de deur van de kapel opengaan. Hij drukt zich tegen de zijkant van de kansel en maakt zich klein. Een paar meter onder hem hoort hij het inmiddels vertrouwde geprevel van monniken in gebed. Psalmen. Dan daalt er stilte neer over de kapel. Zijn de monniken in stil gebed verzonken? Samuel kan zich niet oprichten om te kijken, bang om ontdekt te worden. Maar dan hoort hij iets dat hij niet herkent uit de andere bijeenkomsten die hij heeft bijgewoond. Direct onder zich hoort hij een piepend geluid – een kastje of deurtje dat opengaat? Dan een metalig gerammel, alsof er een sleutel wordt omgedraaid. Meer geknars. Dan alles in omgekeerde volgorde.

‘Broeders,’ klinkt het vanuit het midden van de kapel. ‘We houden het niet lang meer uit zo. De bodem is in zicht. Als we niet snel in actie komen, gaat onze gemeenschap ten onder.’
Gemompel. 
‘We hebben nieuw bloed nodig. Jong bloed.’ Een korte stilte. ‘Ik vertel jullie niets nieuws, broeders, maar we kunnen niet langer wachten. Vanavond stemmen we en morgenvroeg volgt de inwijding.’
Samuels hoofd tolt. Inwijding? Gaat er niet een hele periode vooraf aan zo’n inwijding? En waarover stemmen ze – zíj kunnen toch niet bepalen wie intreedt? En wie zijn de kandidaten waarop ze stemmen? In de kapel hoort hij geruis, voetstappen. Samuel gaat op zijn hurken zitten en komt net ver genoeg omhoog om te kunnen zien wat er gebeurt. De elf monniken zitten in een kring, in hun midden staan op een tafeltje een doos, daarnaast een kelk. Eén van de monniken houdt de kelk omhoog, spreekt een korte formule uit en zegt: ‘Dit is het bloed dat voor ons geofferd is.’ De kelk gaat rond. Als de laatste monnik aan de beurt is geweest, wordt het deksel van de doos gelicht. Erin liggen velletjes papier. De monniken beschrijven om beurten een vel, vouwen het dubbel en leggen het weer terug in de doos. Twee monniken zonderen zich af van de groep en vouwen de velletjes open. Dan zegt één van hen gedecideerd: ‘Esmée.’
De monniken buigen naar de kelk in het midden. Maken een buiging. Verlaten dan in processie de kapel. Samuel wil net uit zijn schuilplaats vandaan komen, als hij onder zich een geluid hoort. Geknars, gepiep. Er is nog één pij over in de ruimte. Die loopt naar het tafeltje, pakt de kelk en verdwijnt dan, na het geknars en gepiep in omgekeerde volgorde.
Pas na een paar minuten durft Samuel uit zijn verstopplek tevoorschijn te komen. Tijd om een paar uur te slapen en morgenochtend vóór het eerste gebed in de kapel te zijn. Nog voor de inwijding.
Terwijl Samuel zo stil mogelijk naar zijn cel loopt, is er één vraag die blijf terugkomen.
Wie is Esmée?

Bij het ochtendgebed observeert Samuel de monniken. Die zijn even rustig als altijd, laten hun stemmen klinken in de kapel. Buiten is het nog donker. Alles is hetzelfde als de afgelopen dagen. De stoelen die afgelopen nacht nog in een kring stonden rondom een tafeltje, zijn nu teruggezet op hun originele positie. Niets herinnert nog aan de nachtelijke bijeenkomst van de monniken. Samuel bekijkt ook de andere aanwezige gasten – dat lijken er evenveel als de dag ervoor, maar zelfs als ze met minder zijn, zegt dat niets. Het is voor kloostergasten niet verplicht om alle gebeden bij te wonen.
Terug in zijn cel laat Samuel zich op bed zakken. Hij staart voor zich uit, denkt na. Zou de inwijding al hebben plaatsgevonden? Heeft hij de serene gezichten van de monniken verkeerd geïnterpreteerd – tonen die geen opwinding omdát ze hun nieuwe kandidaat al ingewijd hebben? Als hij zijn cel rondkijkt, op zoek naar antwoorden, ziet hij op de grond een velletje papier liggen.

 ‘Kunt u zich s.v.p. direct na het ontbijt melden bij het kantoor van broeder Antonius voor de afmelding? Wij geven u dan ook uw bezittingen weer terug.’

Geen uitnodiging voor een inwijdingsceremonie. Geen dreigende taal, omdat ze wisten dat hij hen die nacht bespioneerd had. Niets waaruit bleek dat vandaag anders was dan de dag ervoor en de dag daar weer voor. Samuels hoofd tolt van vermoeidheid. Er zat maar één ding op: proberen zijn verblijf te verlengen en er zo snel mogelijk achter zien te komen wie Esmée was.

Direct wanneer hij de lange betegelde gang betreedt, ziet hij dat er al iemand zit te wachten op het bankje naast het kantoor van broeder Antonius, die zich om de gasten bekommert. Als hij dichterbij komt, ziet hij dat het de vrouw in de rode trui is. Van gisteren. Nu zonder rode trui.
‘Hallo,’ zegt hij als hij naast haar neerzakt op het bankje. ‘Ook de laatste dag vandaag?’
Ze knikt. Laat nog steeds even weinig los.
‘Het spijt me van gisteren. Ik weet dat iedereen hier voor zijn eigen proces is. Ik had niet aan moeten dringen.’
De deur van het kantoor gaat open, Antonius verschijnt en glimlacht naar Samuels buurvrouw.
‘Komt u binnen, mevrouw Gommers.’
Ze knikt. Voor ze over de drempel stapt, kijkt ze naar hem en zegt:
‘Ik hoop dat je hebt gevonden wat je zocht.’
‘Dank je, ik hoop jij ook, …?’
Ze schudt mijn uitgestoken hand en zegt: ‘Milou.’
‘Samuel.’

Samuel zit op het bankje en beweegt zijn been zenuwachtig op en neer. Zijn journalisteninstinct zegt hem dat hij iets mist. Iets groots. Iets dat ieder ander direct in het oog zou springen. Hij is zo in gedachten verzonken dat hij broeder Antonius pas na een paar seconden opmerkt.
‘Mevrouw Gommers kan onze orde helaas niet versterken, maar misschien bent u onze hoop, meneer May.’
‘Het doet er niet echt toe, maar je spreekt het uit als “mai”, niet als “mee”. Gaat vaker mis, hoor.’ Samuel glimlacht naar broeder Antonius en volgt hem het kantoortje in.
‘Ik hoopte eigenlijk wat langer te blijven, broeder.’


Plaats een reactie