‘Dus jij ontdekte op die tekening dat jullie huis groter was dan jullie zelf wisten?’
‘Nou ja, we wisten natuurlijk niet of die tekening klopte. Die blauwdruk leek vrij oud, en we hadden geen idee of die precies gevolgd was. En er waren al zoveel vroegere bewoners geweest, dus wie weet hadden ze dat kamertje bij de zolder getrokken, zonder dat wij het wisten. Nou ja, je zult begrijpen dat ik meteen naar zolder wilde rennen om te kijken, maar mijn moeder wilde per se dat we op onze vader wachtten. Achteraf denk ik: gelukkig maar. Maar goed, zodra mijn vader thuis was renden we op hem af. Toen we hem hadden verteld wat we hadden ontdekt, pakte hij een zaklamp en we volgden hem naar zolder. Hij hield de blauwdruk vast en liep helemaal naar de linkerkant van de zolder. Aan die kant zaten geen ramen, er was alleen een muur van een meter of anderhalf hoog en dan begon het schuine dak. Tegen die muur stonden nog wat dozen opgestapeld. Mijn vader begon ze af te stapelen en schoof ze opzij. Toen pakte hij de zaklamp en inspecteerde de muur. Mijn moeder, mijn broertje en ik stonden op een afstandje toe te kijken hoe hij tegen de muur tikte. We hoorden het allemaal meteen: dat was niet het geluid dat een buitenmuur zou maken. Mijn moeder pakte ons vast terwijl mijn vader de muur verder onderzocht. Hij legde zijn handen ertegenaan en toen… opende hij die! Hij schoof gewoon een houten paneel opzij, maar ik weet nog dat ik toen echt verbijsterd was. Net zat er nog een muur en nu niet meer. Mijn vader keek om, glimlachte naar ons en pakte de zaklamp van de grond. Hij scheen ermee achter het schuifpaneel en toen hoorden we hem naar adem happen. Ik kan me het gesprek tussen mijn ouders nog bijna woordelijk herinneren:
“Ruud, wat heb je ontdekt?”
“Nou, er is hier inderdaad nog een ruimte. Niet alleen een opslag, zoals ik dacht. Er… er slaapt hier iemand.”
“Er sláápt daar iemand? Ruud, dit is niet grappig.”
“Ik maak geen grap, echt. Er is hier een slaapkamertje.”’
‘Ik was echt meteen naar beneden gerend, Susanna. My god! Wat deden jullie toen?’
‘Ik dacht eerst ook dat mijn vader een grapje maakte, dus toen hij ons wenkte dacht ik dat hij ons wilde laten schrikken. Waarom zou iemand in dat krappe hok slapen als er meer dan genoeg ruimte was op de rest van de zolder? Maar toen ging mijn vader opzij en konden we zien wat er achter het schot zat… Achteraf gezien snap ik niet waarom onze ouders ons niet naar beneden hebben gestuurd, ik denk dat ze zelf ook in shock waren. In die ruimte lag een matras met daarop een ouderwetse bruin-witte sprei. Naast het bed stond een kandelaar met een kaarsstompje erin en een kopje en een bord. Op het bord lag een chocoladewikkel van een merk dat ik niet kende, en wat kruimels. En toen zag ik het: naast het kussen zat een kleine pop met blonde vlechten. Ze had een vaalgroene jurk aan. Ze zat keurig rechtop.
Wie er eerst was, weet ik niet meer, maar opeens wilden we daar allemaal weg, weg van de zolder. Beneden probeerde mijn vader ons gerust te stellen. Het was een oud huis, en een van de kinderen die hier eerder had gewoond had vast een verstopplek gemaakt. Verboden voor volwassenen, zoiets. Mijn broertje huilde zonder geluid, hij beefde over zijn hele lichaam. Hij was bang. En ik ook. Die avond sliepen we samen in de slaapkamer van mijn broertje. Boven ons hoorde ik mijn vader op en neer lopen. Hij onderwierp de zolder aan een grondige inspectie. Mijn moeder was in een stoel naast onze bedden in slaap gevallen. Toen ik naar links keek, verwachtte ik daar een slapende Jonah te zien, maar hij keek me met wijd open gesperde ogen aan. “Susannah,” zei hij, “die kamer zit hier precies boven. Wat nou als de voetstappen die ik in mijn nachtmerries hoor… echt zijn?”
De dag erna zaten we met zijn vieren aan de ontbijttafel. Ik geloof dat niemand echt goed had geslapen. Mijn vader legde uit dat hij de zolder had doorzocht en verder niets had gevonden. Hij dacht dat de verstopplek al heel lang niet meer gebruikt was. Hij zei dat de chocoladewikkel van een oud merk was, waarover hij zijn vader weleens had gehoord, maar zelf nooit in de winkel had gezien. Ik wilde hem geloven, maar Jonah liet zich niet zo makkelijk afschepen. Hij zei wat hij die nacht ook tegen mij had gezegd, dat hij bang was dat hij echt voetstappen hoorde ’s nachts. Om ons gerust te stellen, gooide mijn vader alles uit het kamertje bij het grofvuil. Hij stopte isolatiemateriaal in de ruimte en spijkerde de schuif toen dicht. Mijn broertje is nog maandenlang ’s nachts bij mij in bed gekropen. Tot hij op een dag gewoon doorsliep.’
‘Maar dat was nog niet het einde, toch?’
‘Nee, was het dat maar… Na die ontdekking gebeurde er een hele tijd niks. Mijn broertje begon beter te slapen en was weer vaak op de schommel in de tuin te vinden. We vonden onze draai in het huis en schrokken niet meer van een geluidje meer of minder. Het zolderverhaal werd een goede anekdote voor op verjaardagsfeestjes.
In alle eerlijkheid – als dat meisje een paar jaar later niet had aangebeld, was ik dat hele voorval misschien bijna vergeten. En dan had ik zeker niet hier bij jou gezeten. Ik bedoel, het was wel griezelig, maar feitelijk was er niks gebeurd. We hadden een rare plek ontdekt, klaar. Maar toen stond dat meisje begin jaren 2000 opeens voor de deur. Man, ik krijg er nog de rillingen van. Ik zat op de bank tv te kijken, mijn broertje was bij een vriendje en mijn ouders waren nog niet thuis van werk. Er werd aangebeld. Ik keek uit het raam om te zien wie daar stond, ik had geen zin in een collectant ofzo. Maar er stond een kleinere gestalte buiten, een kind. Ik dacht dat er weer een bal over de schutting was gegaan, dus ik stond zuchtend op en deed de deur open. Het meisje op de stoep was een paar jaar jonger dan ik. Ze had een bruine jurk aan. Heel ouderwets, en veel langer dan in de mode was. Ze had witte sokjes aan in haar lakschoenen. Ze vroeg of Camilla thuis was.’
‘Camilla?’
‘Dat vroeg ik ook. Ik had geen idee wie dat was. Ze vertelde dat ze haar beste vriendin was, en dat ze elke dag samen speelden. Het meisje voor de deur kwam me totaal niet bekend voor, maar ik kende niet iedereen. Ik vroeg waar ze woonde. Ze zei dat ze om de hoek woonde, en dat Camilla en zij altijd samen speelden. Dat ze boeken van elkaar leenden, en speelgoed. Ik dacht dat ze zich misschien in het huis vergiste, maar ze zei dat ze echt goed zat. Toen ik het meisje voor de deur bleef aangapen, begon ze te zuchten. Ze stak haar hand uit en zei: “Nou, als je haar ziet, kun je haar dit dan geven? Ik had beloofd het vandaag terug te brengen.”
In haar kleine handje bungelde een pop met goudblonde vlechten. Ze droeg een vaalgroene jurk.’


Plaats een reactie