Buitenkans

Aan al mijn twijfels kwam een einde toen ik ze zag. Het was een goed jaar, dat wist ik meteen. Wat daar uit de auto stapte, was het beste dat we in tijden op ons terrein hadden gehad. Jong, maar niet jeugdig meer, en vooral: zo vol levenslust.

‘Niet slecht!’ Een man van rond de dertig staat met zijn handen in zijn zij tevreden om zich heen te kijken. Hij staat voor een donkergroene Volvo 264 GL, de brandende koplampen achter hem zorgen voor een halo-effect. Het linkerportier staat open, uit de auto klinkt zacht muziek.
‘Niet slecht? Volgens mij hangt de hele boel hier van plakband aan elkaar.’ Een vrouw met een enorme wollen sjaal om haar nek slaat het portier aan de passagierskant dicht en begraaft haar handen onder haar oksels.
Ze staan op een uitgestorven parkeerplaats. Onder hun voeten knisperen nog de laatste dorre bladeren. De januarikou is bijtend. Voor hen ligt een donker bos, een paar bomen worden van onderaf spookachtig verlicht door ouderwetse bollampen. Een tiental meters verder, links achter een slagboom, ligt een gebouwtje van grijze steen. Vanaf deze afstand zijn de letters ‘receptie’ amper te lezen. Naast de deur brandt een lichtje, binnen is het donker.
‘Weet je zeker dat we hier goed zijn? Ik snap wel dat hier verder niemand komt. Mooie prijs.’ De vrouw trekt een frons in haar voorhoofd. Ze ademt wolkjes.
‘Hé, een gratis weekend weg is een gratis weekend weg! Ik win nooit wat, dus dat alleen al vind ik een hele belevenis.’ Hij trekt de sleutel uit het contact, pakt de weekendtas van de achterbank en doet de Volvo op slot. ‘En het is hier zo rustig dat we eindelijk eens aan elkáár toe komen.’
De vrouw zegt alleen: ‘Zouden er meer mensen zijn dit weekend? Of zijn wij de enigen?’

Ik heb de lichten in het kantoor aangedaan en nestel me achter het bureau. De deur is van het slot. Ze kunnen ieder moment binnenkomen. Geen warm water? Hè, dat is vervelend, zeker in deze tijd van het jaar. Natuurlijk, we kijken er direct naar. Als u wilt, kunt u in de tussentijd gebruik maken van de bowlingbaan en bar. Armand zal u goed verzorgen. Uitnodigende glimlach, vriendelijke ogen. De bowling is die kant op, meneer en mevrouw.
Armand is al een week glazen aan het poetsen. Alles voor zijn speciale gasten. Alles voor hun speciale gasten.

Een lichtgevende groene pijl wijst naar beneden. Ernaast staat in flikkerende letters ‘bowling’. Een lange, houten trap met daarop een vaalrode loper voert een flink eind naar beneden.
‘Denk je dat die man bij de receptie een grap maakte?’ Anne kijkt afwisselend naar het trappengat en het gezicht van haar vriend. ‘Ik bedoel: is het niet een beetje raar dat die bowlingbaan open is terwijl wij de enige gasten zijn? In die brochure stond ook dat alle parkfaciliteiten geopend zijn van half maart tot eind december.’
‘Maar één manier om daar achter te komen, darling. Na jou.’ Gijs maakt een buiginkje naar de trap. Achter hem flikkert het groene licht. ‘Misschien is het wel onderdeel van mijn prijs.’
Gijs ziet niet dat Anne met haar ogen rolt. Hij ziet onderaan de trap alleen de oude man in livrei staan.
‘Welkom!’ zegt de man als Gijs en Anne beneden zijn. ‘Mijn naam is Armand. Paul liet mij weten dat u de gelukkige winnaars bent van de prijs. Vanavond drinkt u op onze kosten.’
‘En de bowlingbaan is van ons alleen?’ vraagt Anne voorzichtig glimlachend.
‘Helemaal van u, mevrouw. In deze tijd van het jaar is er hier op het park weinig te beleven. Maar dat hebt u vast al gemerkt.’
‘Deze prijs wordt beter en beter,’ zegt Gijs grijnzend. ‘Een heel vakantiepark voor onszelf, we kunnen allebei een eigen bowlingbaan nemen, Anne!’
‘Alles wat u wilt, meneer. Maar misschien eerst… een drankje?’ Armand zet een stap opzij, zodat ze goed zicht hebben op het ouderwetse drankenkabinet. ‘Een gimlet wellicht, of een martini?’
‘Kunt u een spritz voor ons maken?’
‘Een… spritz, mevrouw?’
‘Een aperol spritz, ja.’
‘Excuus, ik geloof niet dat ik dat drankje ken. Maar als u het me uitlegt?’
Anne kijkt de grijsaard fronsend aan, niet zeker of hij een grap maakt. Misschien is het allemaal theater: de ouderwetse livrei, de gespeelde onwetendheid – alsof deze man uit een andere tijd komt.
‘Armand, twee martini’s graag!’ zegt Gijs. Hij slaat enthousiast op de bar en knipoogt naar Anne. Hij vindt het prachtig, zo’n toneelstuk.
‘Mevrouw?’ Armand kijkt Anne vragend aan.
‘Een martini lijkt me goed. Heeft u daar citroen bij?’
Armand haalt grijnzend een krul citroenschil tevoorschijn. In zijn andere hand houdt hij een potje olijven. Dan begint hij zijn cocktailballet. De glazen uit de spiegelkast pakken, de martini mixen, het uitschenken – er spreekt een bijna maniakaal plezier uit. Armand staart zijn twee gasten indringend aan als hij ze hun drankjes overhandigt.
‘Hoe lang denk je dat die Paul erover doet om de boel te repareren?’ fluistert Anne als ze zich verplaatsen naar de bowlingbaan.
‘Interesseert me niet. Als we ons drankje op hebben, gaan we terug naar het huisje. Die Armand is me iets te enthousiast.’
Gijs kijkt over zijn schouder. Armand staart hen stijfbevroren aan. Zijn handen liggen roerloos op de bar. Om zijn lippen een vaag lachje.
‘Alsof hij nooit andere gasten heeft.’

‘Waar was die prijsvraag eigenlijk van?’ vraagt Anne.
Ze lopen via donkere paden terug naar hun huisje. De bollampen langs de weg zijn uit.
‘Eh, ik zag het ergens voorbijkomen op Insta. Ik hoefde alleen maar een contactformulier in te vullen en te beschrijven wie ik zou meenemen naar het weekend. En je moest onder de 35 zijn om mee te kunnen doen.’
‘Hoezo?’ Anne blijft staan.
‘Weet ik veel, ik denk dat ze een nieuwe generatie naar dit vakantiepark willen krijgen ofzo. Daarom hebben ze vast Armand van stal gehaald, zodat wij vertellen hoe je hier in de watten wordt gelegd. Ik zal zo kijken of ik het nog kan terugvinden, goed?’
‘Hmm.’
Ze zijn bijna bij hun chalet als hun een stel tegemoet komt. Ze lopen gearmd en hebben allebei een wollen muts op hun hoofd. Ze zien er vriendelijk uit.
‘Dag,’ zegt de vrouw.
Het gemutste stel is hen al voorbij als Gijs zich plotseling omdraait en zegt: ‘Sorry, zou ik iets mogen vragen? Hebben jullie ook een prijs gewonnen?’
‘Een prijs gewonnen?’ De man kijkt verbaasd onder zijn groene muts.
‘Ja, waarom zijn jullie hier anders? Het park is eigenlijk dicht in januari, toch?’
De vrouw kijkt naar de grond en plukt wat aan haar wanten. Ze zegt zacht: ‘Het is niet echt de bedoeling dat je hier in de wintermaanden bivakkeert, nee. Maar we wilden er graag even tussenuit. Onze familie komt hier al zo lang dat Jaap meestal een oogje dichtknijpt.’
Ze glimlacht.
‘Jaap?’ vraagt Anne.
‘Ja, de beheerder, van de receptie,’ antwoordt de man. ‘Hij zal die prijsvraag ook wel uitgeschreven hebben, hij is altijd op zoek naar nieuwe parkbezoekers. En hij is wel in voor een geintje.’
‘Veel plezier met jullie prijs nog, wij gaan verder.’
Anne en Gijs kijken elkaar vragend aan. Jaap?

Wie zijn die mutsen? Ik had onze gasten uit de bowlinghal zien komen, sneller dan gedacht. Meestal hield Armand mensen wat langer aan de praat. Hij zou wel teleurgesteld zijn. Maar ik had ze dus naar buiten zien komen en was ze op gepaste afstand gevolgd. Ik wilde zeker weten dat ze goed zouden aankomen in hun huisje. Dit park kan een doolhof zijn, je weet maar nooit… En nu staan ze daar te praten met twee anderen. ANDEREN. Het risico is te groot, we kunnen niet meer wachten tot morgen. Vanavond moet het gebeuren.

‘Ik kan het nergens meer vinden,’ zegt Gijs. Hij zit op de bank te scrollen, zijn jas nog aan.
‘We hebben wel weer warm water,’ zegt Anne.
Gijs gooit zijn telefoon aan de kant, trekt zijn jas uit en trekt dan een sprintje naar Anne bij het aanrecht. Hij slaat zijn armen om haar heen en fluistert: ‘Mooi, dan weet ik wat wij vanavo–’
‘Hoorde jij dat ook?’ Anne. Stilte. Dan weer: een klop op de deur.
Ze trekken de deur met een ruk open en kijken in het grijnzende gezicht van Paul. In zijn handen houdt hij een fles wijn.
‘Dag, sorry dat ik stoor, maar ik wilde jullie graag nog een flesje wijn brengen voor het ongemak.’
‘Dank je, we hebben weer warm water. Fijn dat het zo snel opgelost is.’ Zonder omhaal doet Gijs de deur dicht. Genoeg oude mannen voor één avond. Tijd voor wijn. Gijs loopt door naar de keuken, schroeft de dop van de wijnfles – schroefdop, toch jammer – en schenkt twee glazen in.
Ze hebben net de eerste slok van hun genomen, als Anne opmerkt: ‘Hadden we moeten vragen wie Jaap is?’
‘Vanavond kan het me niet schelen wie Jaap is, of Paul, of Armand. Ik ben alleen nog geïnteresseerd in jou’ – knipoog – ‘en deze fles wijn.’

In het huisje is het stil. Het enige wat ze hoort is Gijs’ diepe ademhaling. Buiten doet een stormwind zijn best de laatste dorre bladeren van de takken te rukken. Ze kan de slaap niet vatten. Ze heeft maar één glas van de wijn gedronken, maar ze voelt zich draaierig. Buiten trekt de wind aan. Anne slaat de deken terug en wankelt naar de woonkamer. Ze ploft op de bank. Op de salontafel staan nog de twee wijnglazen en de fles. Wat was dat voor bocht? Dat gaat ze nooit meer drinken.
Ze pakt de fles op en ziet in eerste instantie niets bijzonders. Tot ze de fles omdraait en onder de ingrediëntenlijst een tekstje ziet staan dat haar eerder niet was opgevallen.

‘Dank voor uw bezoek aan Bospark ’t Uilennest. Wij hopen dat u hebt genoten van uw verblijf. Daarnaast willen wij onze oprechte en eindeloze dank uitspreken voor het offer dat u brengt. Wij zullen u na afloop netjes achterlaten. – Paul & Armand’

Ik werp een blik op mijn horloge en knik naar Armand. De drie uur zijn verstreken. Dan zijn ze altijd buiten westen. Armands drankje en mijn wijn – een beproefd recept. Ik voel in de zak van mijn overjas en tast naar het zakmes. Voor de zekerheid. Vanavond eten we ons beste maal in jaren. Ik sluit mijn ogen en begin te watertanden. ‘Kom op, Armand. Hier hebben we het hele jaar op gewacht.’


2 reacties op “Buitenkans”

  1. Hoi schat,

    Fantastisch en pakkend geschreven. Een opstap naar een eigen roman ?

    Ouwevaer

    Like

  2. Da’s niet goed wanneer je een jaar lang naar het beste maal in jaren moet uitzien.

    Like

Geef een reactie op Hans Brouwer Reactie annuleren

Previous:
Next Post: