Hij had het zich dus niet ingebeeld. Aan de andere kant van de deur liepen mensen. Als er niet een van hen tegen zijn deurklink was gebotst, had hij nooit geweten dat het de nacht ervoor geen droom was geweest.
Langzaam wennen Samuels ogen aan het donker. Het volkomen duister verandert in gradaties grijs en zwart. Waar eerst niets was, doemt nu het silhouet op van een monnik. Een puntkap, een wijdvallend gewaad. Het habijt van de kapucijn. Op Samuels verzoek uitgehangen in zijn cel, om zich meer verbonden te voelen met de broeders van het Emmausklooster. Te ervaren wat het is om je niet uit te drukken via je kleding, maar je iedere dag in hetzelfde bruine gewaad te hullen. Geen ego, maar het credo. Jezelf opheffen om bij te dragen aan iets groters – in de buitenwereld probeerde iedereen het wel, de eigen behoeften opzijzetten voor idealen, maar dat duurde nooit lang. Want uniek zijn werd gestimuleerd, net als jezelf uitdagen, grenzen verleggen, doelen behalen. Het enige doel dat hier werd nagestreefd was leven in eenvoud, jezelf dienstbaar opstellen. Een nobel streven, zondermeer, en een lesje nederigheid dat voor Samuel vast geen kwaad kon – aldus de redactiechef. Zeven dagen ondergedompeld in de wereld van de kapucijnen, waarover hij zes columns zou schrijven. Allemaal onderdeel van de goed gelezen, en nota bene door Samuel geïnitieerde, reeks ‘Leven op pauze’.
Samuel tast op zijn nachtkastje naar een telefoon die er niet is. Ingeleverd bij binnenkomst. Zijn ogen zoeken naar de klok boven de deur – half twee. Hetzelfde tijdstip als de nacht ervoor. Toen zweefde hij tussen waken en slapen, de geluiden die hij oppikte hadden evengoed uit zijn kamer als zijn gedachten kunnen komen. Pas nu zich hetzelfde voor de tweede keer voordoet, tekent zich de herinnering aan gisteren af. Ja, het zachte geschuifel aan de andere kant van de deur had hij absoluut eerder gehoord.
Als hij de deur van zijn cel opent, ziet hij aan het einde van de betegelde gang nog net twee figuren in pij de hoek omslaan. Nog een gebed? Een leven gewijd aan God was voor tere zielen bepaald niet geschikt. Maar waarom was dit gebedsmoment nergens vermeld? Alle andere diensten, ook als die voor gasten niet toegankelijk waren, stonden aangegeven op een eenvoudig houten schuifbord naast de kapel. Wilden de monniken hun gasten dit onmenselijke uur besparen? Of hadden ze geen zin in pottenkijkers? Er waren ongetwijfeld gasten die – per ongeluk of uit nieuwsgierigheid – zich toch hadden vertoond bij de niet-openbare diensten.
Samuel sluit de deur van zijn cel en is zo in gedachten verzonken dat zijn hart een sprongetje maakt als de monnikspij in zijn blikveld verschijnt. Heel even dacht hij dat hij niet alleen was. In zichzelf grinnikend laat Samuel zich op zijn dunne matras vallen.
Over minder dan drie uur begint de nachtwake. Zo’n leven op pauze heeft toch nog heel wat verplichtingen.
Samuel kan maar moeilijk wennen aan de stilte in de eetzaal. Negen monniken en vijftien gasten, allemaal zitten ze op de lange houten banken, zwijgzaam te kauwen. De tafel is in verhouding met de banken laag, waardoor iedereen als vanzelfsprekend licht voorovergebogen zit. Verder in zichzelf gekeerd, starend naar hun bord. Niet bezig met de wereld om zich heen.
Het zou hem niet moeten verbazen dat het zo moeilijk is om contact te leggen met de andere gasten. Wie op retraite gaat, zit ongetwijfeld vol vragen – waarom zou hij er daar nog meer aan toevoegen?
Om zich een houding te geven en zijn disgenoten niet ongemakkelijk aan te staren bestudeert Samuel de refter. Een hoge ruimte, rampzalig om warm te stoken in de winter. Idioot groot ook voor het aantal aanwezigen. Dat geldt voor het hele klooster – het zou honderd monniken kunnen huisvesten, maar dat aantal is al sinds de jaren zestig niet meer gehaald. De jongste monnik is zeven jaar geleden ingetreden in het Emmausklooster en is 50. De anderen zijn die leeftijd allang gepasseerd. Als er geen nieuwe aanwas komt, zal het hier binnenkort nog sterker echoën. Nu al weerkaatst het voorbije leven hier tegen alle muren en dat zal de komende jaren alleen maar erger worden.
Dan ziet Samuel in zijn ooghoek de pijen als één man opstaan. Ook om hem heen is overal beweging. Hij volgt. In zijn dagelijks leven zou het hem benauwen om zo onderworpen te zijn aan een vast ritme, maar hier geeft het hem houvast. Het is goed om in die grote leegte van het kloosterleven vastigheid te hebben. Maar zodra hij een van de andere gasten het smalle deurtje naast de keuken uit ziet lopen, de kloostertuin in, kan hij de journalistieke drang in zichzelf niet bedwingen. Regels van stilte of niet – hij wil met iemand praten, vragen kunnen stellen. En weten of hij de enige is die op de hoogte is van die nachtelijke sessie van de monniken.
Buiten slaat hem de ietwat weeïge geur van herfst in het gezicht, een mengsel van aarde en schimmel. De dag ervoor heeft het aan één stuk door geregend, de paden zijn veranderd in modderpoelen die zuigen aan je schoenzolen. Alsof de grond snel nog wat mens probeert te absorberen om de winter mee door te komen.
Samuel dacht dat hij de andere gast – een vrouw van zijn leeftijd, een dertiger – op de hielen zat, maar tot zijn verbazing is ze het laatste vierkant van de groentetuin al voorbij. Haar rode trui verdwijnt door het hek en wordt algauw opgeslokt door het dichte sparrenbos achter de tuin. De naaldbomen zijn zo donkergroen dat ze bijna zwart lijken.
De vrouw loopt snel en pas relatief diep het bos in, weet Samuel haar in te halen. Ze schrikt als hij zijn hand op haar schouder legt.
‘Sorry,’ zegt hij. ‘Dat was niet handig. Ik ben Samuel, ik verblijf ook in het klooster.’
Ze knikt, maar blijft zwijgen.
‘Ik vroeg me af… binnen mogen we natuurlijk niet met elkaar praten, maar ik vind die stilte nogal intimiderend.’
Ze is blijven stilstaan nu en neemt hem peilend op.
‘Waarom ben je op retraite?’
Godver, Samuel, je bent toch geen amateur – nooit beginnen met te persoonlijke vragen. Eerst iemand op zijn gemak stellen, iets vinden dat ze gemeenschappelijk hebben, dán pas doorvragen.
‘Sorry, dat is mijn zaak helemaal niet. Ik ben gewoon benieuwd naar hoe anderen dit,’ hij maakt ongecontroleerde armbeweging en knalt daarbij per ongeluk tegen haar bovenarm, ‘shit, sorry. Gaat het? Ik bedoelde: hoe anderen het hier vinden. Wat het ze brengt, zo’n retraite.’
‘Ik ben hier gekomen om stilte te ervaren,’ zegt de vrouw gedecideerd. ‘Dus als je het niet erg vindt ga ik dat doen. Stilte ervaren.’ Dan voegt ze er voor de zekerheid nog aan toe: ‘Alleen, dus.’
Nog voor Samuel zich kan verontschuldigen heeft ze zich omgedraaid. Een windvlaag brengt de sparren aan het ruisen. Het rood van haar trui steekt scherp af tegen het donkere bos.
‘Wacht!’ Hij gaat op een holletje achter haar aan. ‘Sorry, ik zal je hierna met rust laten, ik had je niet zomaar moeten aanspreken en zeker niet hier in het bos. Maar mag ik je één ding vragen?’
Ze zucht.
‘Heb jij ze ook gehoord, ’s nachts? Die monniken? Ik hoor ze om half twee langs mijn kamer schuifelen, maar dan is er helemaal geen dienst. Toch?’
‘Ik weet niet waar je het over hebt,’ zegt ze.
Samuel blijft even staan om haar na te kijken, maakt dan rechtsomkeert. Aan het eind van het pad doemt het klooster voor hem op. Zijn journalisteninstinct zegt hem dat er zich ’s nachts iets afspeelt waar de gasten niets van mogen weten. Vannacht gaat hij achter ze aan. In monnikspij.
(wordt vervolgd)


Geef een reactie op aglettalented5b042be1e3 Reactie annuleren