‘Welkom bij wat voorlopig alweer de laatste aflevering is van Kijk niet op zolder, de podcast waarin we het hebben over geesten, griezels en ander gespuis. Ik ben jullie host Daphne van Baar en ik neem jullie mee naar de donkerste krochten van ons brein – of beelden we het ons niet in en zijn de voetstappen die we op zolder horen daar écht?’
[introtune van de podcast]
‘Vandaag bij mij in de uitzending is Susanna. Susanna gaat ons vandaag mee terugnemen naar haar kindertijd, eind jaren negentig, toen zij met haar ouders en naar Deventer verhuisde. Dat leek in het begin een gouden greep, maar er was ook iets geks aan de hand met het nieuwe huis. Iets wat, zoals altijd bij Kijk niet op zolder, niet helemaal prettig aanvoelde… Welkom, Susanna.’
‘Hoi Daphne, dankjewel. Dat is wel even geleden, hè?’
‘Zeg dat! Voor de luisteraar: Susanna en ik kennen elkaar nog van de middelbare school, in Deventer. Ik kan me nog precies voor de geest halen waar we waren toen jij me dit verhaal vertelde – in de woonkamer van jouw ouders. Die waren een avond weg, en wij hadden net een slechte film gekeken. Toen ik vroeg hoe oud jullie huis eigenlijk was, vertelde je me een verhaal waar toen mijn nekharen ook al van overeind gingen staan. We zijn elkaar daarna uit het oog verloren, maar jouw verhaal ben ik nooit vergeten. Sterker nog: stiekem heb ik mijn podcast ernaar vernoemd…’
‘Serieus? Wat een eer! Denk ik?’
‘Een twijfelachtige eer, maar toch een eer, hoor! Superleuk dat je bent ingegaan op mijn uitnodiging en je verhaal ook via deze podcast wilt delen. Ik wist dat jij het verhaal veel beter zou kunnen vertellen dan ik, dus als jij klaar bent…’
[spannende muziek]
‘Ik weet nog heel goed dat mijn ouders ons vertelden dat we gingen verhuizen, ik was acht. Het was in de lente van 1996, mijn broertje was net zes geworden. We waren niet heel hecht. Mijn broertje en ik niet, maar ons gezin als geheel ook niet. Dus toen mijn ouders zeiden dat ze iets “belangrijks” moesten vertellen, was ik bang dat ze uit elkaar zouden gaan. Ze voelden altijd ver weg, soms letterlijk, ze werkten allebei veel, en waren altijd bezig. Ze hadden geen rust om zich een hele dag met ons bezig te houden, praktisch of emotioneel. Later begreep ik dat ze in die tijd veel financiële stress hebben ervaren, maar als klein kind had ik dat natuurlijk niet door.
Maar goed, we moesten aan de keukentafel komen zitten. Toen ze ons grijnzend aankeken, wist ik dat ze niet gingen scheiden. Maar wat dan wel? Bleek dat ze jaren op een wachtlijst hadden gestaan bij een woningbouwvereniging en eindelijk een woning toegewezen hadden gekregen. Mijn vader zei dat het heel groot en heel oud huis was, en dat we de week erop al konden verhuizen. Mijn broertje en ik zouden allebei een eigen kamer krijgen. Er was een zolder en zelfs een tuintje. Kortom: het was alles wat het appartement waar we toen woonden niet was.
Ik weet nog dat mijn broertje heel enthousiast was. Een eigen kamer! En was er een schommel in die tuin? Ik kan me niet herinneren hoe ik reageerde, ik denk dat ik me er niet zo goed iets bij kon voorstellen. Ik vond het vast jammer dat ik mijn vriendjes in de straat moest achterlaten. Maar misschien hoopte ik ook dat we in het nieuwe huis vaker samen zouden zijn, als gezin.’
‘Kun je je nog iets herinneren van de eerste keer dat je het nieuwe huis zag?’
‘Nou, mijn ouders hadden onze spullen de dagen ervoor al overgebracht en hadden besloten ons pas mee te nemen naar het huis als ze onze kamers af hadden. En daar hadden ze echt hun best op gedaan. Ze hadden de muren van mijn kamer lila geverfd, boekenplanken opgehangen, en op mijn bed lagen een paar barbies uitgestald. Wat wilde een meisje nog meer? Ik had eerst helemaal niet door dat de rest van het huis er een stuk minder gepolijst uitzag. De staat van het huis was niet bepaald om over naar huis te schrijven. Maar ik geloof dat we allemaal moesten wennen, ook mijn ouders.
Ik kan me die eerste avond nog goed herinneren. Ik lag in mijn nieuwe slaapkamer, de eerste nacht dat ik die niet hoefde te delen met mijn broertje. Mijn kamer lag aan het einde van de gang, aan de voorkant van het huis. Ik kon vanuit mijn bed naar buiten kijken. Ik staarde naar de takken van de boom voor ons nieuwe huis en meende een uil te horen, toen mijn moeder ineens begon te gillen. Direct hoorde ik de deur van mijn ouders’ slaapkamer tegen de muur slaan. Ik opende mijn slaapkamerdeur en zag mijn vader uit hun kamer rennen, de trap af. Bleek dat mijn moeder serieus was geschrokken van haar eigen spiegelbeeld. Ze was uit bed gekomen om beneden naar de wc te gaan en was zich rot geschrokken van iemand in de gang. Tegenover de trap hing een spiegel. Had ze zich niet gerealiseerd.’
‘Dan krijg je toch ook de schrik van je leven? Ik zou ook een hartverzakking krijgen… En toen?’
‘Toen niks. Mijn ouders wisten helemaal niet dat ik die gil gehoord had. Ik had het niet gezegd, en zij kwamen er bij het ontbijt ook niet op terug. Misschien omdat mijn broertje een paar maanden eerder vreselijke nachtmerries had gehad en ze hem niet bang wilden maken. Die eerste maanden in het nieuwe huis gebeurde er ook niks bijzonders. We leerden onze buren kennen, er woonden veel kinderen daar in de buurt. Onze ouders hadden inderdaad een schommel geïnstalleerd in de achtertuin, zoals mijn broertje zo graag wilde. Als je hem kwijt was, kon je er zeker van zijn dat hij daar was. Hij was gek op die schommel. We waren hele normale kinderen.
En toen begonnen de nachtmerries van mijn broertje weer. Soms werd hij krijsend wakker. Op andere dagen zat hij doodmoe aan het ontbijt, kringen onder zijn ogen. Eerder een oude man dan een klein kind, denk ik nu. Maar hij had eerder nachtmerries gehad, en die waren ook vrij snel weer gestopt, dus ik geloof niet dat iemand zich echt zorgen maakte. En de dingen waar die nachtmerries over gingen waren op een bepaalde manier verklaarbaar. Er was één nachtmerrie die vaak terugkwam. Hij keek van buitenaf naar zichzelf. Hij zat op zijn bed. Hij hoorde voetstappen, eerst boven hem, en dan in de gang op de verdieping waar we sliepen. De voetstappen kwamen dichterbij en hij kon zich niet bewegen. Daarna werden de voetstappen onregelmatiger, alsof iemand aan het touwtjespringen was, zei hij. Dan ging zijn deurklink naar beneden, en dan… werd hij wakker. Altijd op hetzelfde moment. Mijn ouders zeiden natuurlijk dat het niet echt was. Dat hij waarschijnlijk in zijn slaap geluiden opving uit het huis die in zijn nachtmerrie vervormd raakten tot iets griezeligs. Het was een oud huis en er kraakte altijd wel iets. Volgens mij probeerde ik hem dan een beetje onhandig te troosten. Dan zei ik dat de geluiden die hij hoorde vast kwamen door de uil die ik eerder in de boom had zien zitten, die over het dak liep.’
‘Hielp het?’
‘Dat weet ik niet, maar uiteindelijk zei hij niks meer over zijn dromen. Als mijn ouders zeiden dat hij het zich had ingebeeld, glimlachte hij alleen maar. Soms zag ik hem uit het raam staren, dan keek hij naar de bewegingloze schommel. Ik vroeg waarom hij niet naar buiten ging, lekker schommelen. Ik weet nog dat hij me heel intens aankeek, en toen zijn blik weer afwendde, naar buiten. Hij mompelde: “Misschien is zij daar wel.” “Wie bedoel je? Ellen van hiernaast? Dat is maar één keer gebeurd, en papa en mama hebben afgesproken dat ze niet zomaar meer onze tuin in komt.” Hij bleef maar door het raam staren, haalde zijn schouders op en zei: “Ik vind het ook te koud. Ik vind winter stom.” Dat klopte, hij had de winter altijd vreselijk gevonden. Ik was het tegenovergestelde, wat is er mooier dan de eerste sneeuw op de straten? Maar Jonah bleef liever binnen met een kop warme chocomel. En bordspelletjes. Daar was hij gek op.’
‘Ja, dat weet ik nog. Ook toen jullie ouder waren zat hij altijd met vrienden spelletjes te doen.’
‘Dus toen Jonah weer eens zo mistroostig uit het raam zat te staren, besloot ik hem op te vrolijken met een spelletje. Ik zocht het damspel en trok een paar dozen van de plank. Ik trok natuurlijk iets te enthousiast en de halve spelletjeskast kwam naar beneden. En een velletje flinterdun papier. Ik weet nog dat het even zweefde en gedeeltelijk openvouwde tijdens de vlucht naar beneden. Mijn moeder was natuurlijk gealarmeerd door al dat lawaai, maar toen ze zag dat er met ons niks aan de hand was, hielp ze opruimen. Mijn moeder pakte het papier op, maar in plaats van het in een doos te stoppen, spreidde ze het uit op tafel. Toen ik beter keek, zag ik dat het geen spelregels waren, maar een soort plattegrond. De blauwdruk van ons huis. Mijn moeder wees aan waar we nu zaten, de keuken. De woonkamer, de badkamer. En boven al onze kamers en de gangkast. Helemaal boven aan het papier was de zolder ingetekend. De trap was zichtbaar, en de muur die de zolder in tweeën deelde. Ik weet dat ik naar die plattegrond staarde en vroeg: “Wat is daar, mama? Hier is onze speelkamer, en daar is de plek waar je de was ophangt, maar daarachter zit nog een kamer op de tekening.”’
[wordt vervolgd]


Geef een reactie op aglettalented5b042be1e3 Reactie annuleren